Het geslacht Lock

 

Lucq, Luc, Luck, Luk, Locq, Lock, Lok, Luijck, van der Luck, van der Luijck.

 

II.2 Jannetje Adriaensdr Lucq

Jannetje Adriaensdr was de dochter van Adriaen Pietersz Luck. In eerste huwelijk was ze getrouwd met Lenert Jansz Pellenaer "in sijn leven stuijerman ter heij". Hun zoon was Jan Lenertsz Pellenaer. In tweede huwelijk trouwde zij met "Jan Meesz rechtop timmerman tot Monster". Deze was eerder "weduwnaar ende boelhouder van za Antgen Claesdr zine overledenen huijsvrouwe". Op 11 mei 1587 beloofde Jan Meesz aan de erfgenamen van zijn vrouw 626 carolus guldens uit te keren, 2 carolus guldens aan de armen te betalen en de kleren van zijn overleden vrouw aan de erfgenamen uit te reiken (22). Op 27 januari 1588, inmiddels in tweede huwelijk getrouwd, beloofde Jan Meesz "vuijten naeme ende als getroudt hebbende Jannetje Ariaensdr wede ende boelhouster van Lenert Jansz Pellenaer" uit te keren aan het weeskind Jan Lenertsz Pellenaer": 1) de opbrengst van de verkoop van de kleren van de overleden vader, 512½ gulden in drie termijnen te betalen, 2) een huwelijksuitzet van 63 gulden. Verder zou hij aan de armen 3 gulden uitkeren en de moeder nam op zich haar kind te onderhouden (23). Op 26 januari 1588 maakte Teuntgen Tonisdr, weduwe en boelhouster van Jan Gerritsz Pellenaer "in sijn leven stuijerman ter heide za" voor haar kleinzoon Jan Lenertsz Pellenaer en voor haar dochter Stijntgen Jansdr een geldelijke regeling. Ze beloofde "Dzelve kinderen ende erffgenamen zulx voor vuijtcope" 1600 gulden (24). Toen Jannetje Adriaensdr als weduwe en Jan Meesz als weduwnaar met elkaar trouwden, hadden ze elk hun inboedel. Op 12 april 1588 gingen ze het overtollige verkopen (25) en in het Boelhuisboek staat genoteerd: "Op de volgende conditien ende voorwaerden wil Jan Meesz rechtop timmerman tot Monster Boelhuis houden ende vercopen seeckere huijsraet ende anders". In ditzelfde Boelhuisboek lezen we gedateerd 24 april 1588: "Op de navolgende conditien ende voorwaerden willen den voochden van naergelaten weeskint van Lenert Jansz Pellenaer za vercopen zeeckere kleren" (26). Het huwelijk van Jannetje Adriaensdr en Jan Meesz heeft slechts enkele jaren geduurd. In 1593 blijken man en vrouw van het aards toneel verdwenen te zijn. De enige erfgenaam van Jannetje Adriaensdr was haar zoon Jan Lenertsz Pellenaer, voor wiens belangen de voogden naar behoren gezorgd hebben. De nagelaten goederen van Jan Meesz en Jannetje Adriaensdr kwamen rechtens toe aan de broers van Jan Meesz en aan het kind van Jannetje Adriaensdr. Men ging de goederen verkopen en deelde aan het publiek mede: "Op de navolgende conditien ende voorwaerden sullen de gemene broeders ende erfgenamen van sa Jan Meesz in sine leven timmerman alhuer metten voochden van des selffs Jan Meesz s laeste overgeleden huijsvrouwe weeskinds boelhuijs houden en vercopen Allerhande huijsraet ende inboel als van Bedden linnen tinnen mans ende vrouwen cleren mitsgaders seeckere hout ende andere opten xvl februari 1593 (27). Na de verkoop van de roerende goederen ging men, eveneens op 16 februari 1593 het onroerende goed van de hand doen. Zo verkochten Joris Meesz decker tot Monster, Philips Meesz decker tot Loosduinen en Maerten Meesz ter heijde" "ende oversulcz erffgenamen van wijlen sa Jan Meesz in sijn leven timmerman tot Monster" en Doe Arentsz Luck, Willem Arentsz Luck beijde tot Sgravesande en Pieter Arentsz Luck vleijshouwer in den hage voochden van Pellenaer Lenerts tnagelaten weeskint van wijlen Jannetgen Adriaensdr hare suster" aan Jan Pietersz Rechtop timmerman het huis van Jan Meesz. Jan Pietersz erkends hiervoor schuldig te zijn 900 carolus guldens. Contant betaalde hij 300 gulden. De rest zou hij in jaartermijnen van 60 gulden betalen (28). Op 12 december 1593 verkochten de erfgenamen van Jan Meesz een huis te Terheide voor de prijs van 700 carolus guldens. Contant zou betaald worden 120 carolus guldens, verder met jaarlijkse aflossing van 27 carolus guldens (29). Ten slotte verkochten de erfgenamen aan "Pieter Adriaensz Lucq vleijshouwer in den hage ende Willem Adriaensz Lucq backer tot Sgravensande" "een seeckere boe ende droochtuijn" te Terheide plus een kwart van "Seeckere bornput" voor in totaal "40 ponden grooten vlaems" waarvan "seven ponden vlaems gereet" en verder "Vijfthien carolus gulden Jaarlijks" (30). Op 20 januari 1596 compareerden voor "Bailliuw ende weesmeesteren van Monster" de verschillende voogden van Jan Lenertsz "omme met malcanderen int vrundelicke te verdragen ende te vergelijcken van de goederen ancomende dvoorsz Lenertsz". Deze had "tsaemen een somme van sestijenhondert ses en twintich carolus gulden acht stuijvers drije penningen in hooftsomme alle weeskint tvoordele comende". Verder kwamen hem gelden toe uit de erfenis van zijn overleden grootmoeder Teuntgen Tonisdr. Bailliuw en weesmannen keurden de gehele regeling goed (31).

Kind uit eerste huwelijk:

1

Jan Lenertsz Pellenaer

Home